Zwarte pieten discussie tis weer ” Sinterklaas tijd sodemieter op met je gelieg

IMG_1456.PNG

Ik vraag me af waar de “malloten” die lopen te gillen waar zwarte piet en Sint voor staan. Cultuur en een Heilige eeb legende. Iedereen kent “zwarte piet” als slaaf nu etc door malloten die NIET weten waar het over gaat, proficiat. Maar wordt het niet tijd dat jullie gillers even lezen WAT we vieren op 5/6 december? Dat we even laten lezen hoe idioot jullie bezig zijn? Want oh oh oh wat slaan ze deplank mis.

Sint met slaven uit Spanjd, zucht. Ik gooi de knuppel in het hoenderhoek en zeg mond dicht. Lezdn en weet dat je fouter dan fput zit, die gekke kunstenaar in Amsterdam is gestopt. Waarom? Geen slavernij geen Spanje.

leesvoer voor onbenullen

Wie was de Sint, let op heiligen net teleurstelling pietendiscussie. Ergo, hou op met dat gezeu. Accepteer cultuur en hou op!!!!

Kindheidsverhalen
Nicolaas was afkomstig uit de stad Patara in Lycië (Klein-Azië). Zijn ouders waren rijk en vroom. Ze hebben hun kind dan ook met gebeden van God afgesmeekt. Zijn vader heette Epiphanes, zijn moeder Johanna. Toen zijn ouders hem kregen, waren ze in de bloei van hun leven. Maar vanaf dat moment zagen zij verder af van elk lichamelijk contact.Reeds op de dag van zijn geboorte ging de kleine Nicolaas – toen hij in bad werd gedaan – uit eigen beweging rechtop in het badje staan. Als baby dronk hij elke dag op de vaste tijden de moedermelk. Maar niet op woensdag en vrijdag. Dan dronk hij alleen ’s avonds. Deze gewoonte om te vasten heeft hij zijn hele verdere leven volgehouden. Zie ook de afbeeldingen 1, 23 en 24.

In zijn jeugd deed hij niet mee aan de nutteloze spelletjes van zijn vriendjes. In plaats daarvan ging hij vaak naar de kerk. Hij probeerde alle stukken uit de Heilige Schrift die hij er hoorde, te onthouden.

Nicolaas-Legende: Drie Meisjes
Bij de dood van zijn ouders werd hij schatrijk. Nu zocht hij een manier om zijn rijkdommen goed te besteden. Niet om bij de mensen gezien te worden, maar om God te eren. Eén van zijn buren, die van goede huize kwam, was straatarm geworden. Hij zag nog maar één mogelijkheid om zichzelf en zijn drie dochters in leven te houden: namelijk zijn dochters als prostitué te laten werken. Toen Nicolaas dat vernam, was hij vol afschuw over zo’n wandaad. Hij wikkelde een klomp goud in een doek en gooide die ’s nachts door het raam bij die buurman naar binnen.

Vervolgens nam hij ijlings de benen. Niemand had hem gezien. Toen de man de volgende morgen opstond, vond hij de klomp goud. Hij dankte God en begin onmiddellijk alles in orde te maken voor het huwelijk van zijn oudste dochter.

Enige tijd later schonk onze dienaar Gods op diezelfde manier weer een klomp goud. Toen de buurman die vond, jubelde hij het uit. Nu nam hij zich voor verder wakker te blijven. Zo wilde hij erachter komen wie hem op deze manier uit de armoede hielp. Welnu, een paar dagen later zeilde er weer een klomp naar binnen. Deze was wel twee keer zo groot als de vorige en maakte dus nog al wat leven, toen hij op de grond terecht kwam. Dat hoorde die buurman. Hij zette prompt de achtervolging in. Maar Nicolaas was er vliegensvlug vandoor gegaan. De buurman smeekte de wegrennende gestalte vóór hem te blijven staan. Hij wou zo graag zijn gezicht even zien. Hij liep zo hard dat hij uiteindelijk de jongeman toch inhaalde… en herkende. Hij wierp zich voor hem neer en maakte zelfs aanstalten om zijn voeten te gaan kussen. Maar Nicolaas weerde zijn dankbetuigingen af. Hij eiste alleen maar dat hij tot aan zijn dood het geheim zou bewaren van de vriendendienst die hij hem bewezen had.
[183; Romeins Brevier]

Nicolaas stilt storm
Hij heeft zich later geheel aan God gegeven. Zo reisde hij naar Palestina om de heilige plaatsen te bezoeken. En vereerde ze. Tijdens die bedevaartstocht vertrok hij per schip bij heldere hemel en kalme zee. Maar hij voorspelde de zeelui, dat er noodweer zou komen. En het kwam. Al heel gauw. Allen zagen zich plotseling in levensgevaar. Maar hij begon te bidden. En het hield wonderwel op.
[183]

Nicolaas wordt bisschop
Op de terugweg naar huis werden deze bewijzen van zijn bijzondere heiligheid overal bekend. Hij kwam nu – en dat was een ingeving van God – in Myra aan, de hoofdstad van Lycië (in het zuidwesten van het huidige Turkije): juist in de tijd, dat de bisschop van die stad gestorven was, en de bisschoppen uit de omgeving bijeen waren om te overleggen, wie hier opvolger moest worden. Er zat een bisschop tussen die veel gezag had. Als die iets van mening was, meenden zijn collega’s dat ook. Deze bisschop had alle anderen opgedragen om te vasten en te bidden. ’s Nachts echter hoorde hij een stem, die hem zei, dat hij de volgende ochtend bij de kerk moest gaan staan, en de eerste de beste tot bisschop moest wijden, die Nicolaas bleek te heten. Meteen bracht hij deze opdracht aan de andere bisschoppen over. Zo begaf hij zich naar de kerk en vatten er post bij de deur.

Het wonder wilde, dat Nicolaas – door God gezonden – al voor dag en dauw naar de kerk ging. Toen hij naar binnen stapte, kwam de bisschop op hem af, want die dacht: “Ik zal eens even vragen naar zijn naam.” Argeloos als een duif boog hij het hoofd en zei: “Nicolaas, dienaar van Uwe heiligheid.” Toen hebben ze hem daar bij de deur vastgegrepen en met algemene stemmen meteen maar als bisschop geïnstalleerd. Ze bekleedden hem met schitterende sieraden en troonden hem op de bisschopszetel.

Ondanks alle eerbetuigingen bewaarde hij altijd zijn oude nederigheid en zijn serieuze levenswandel. Hij bracht de nacht steeds in gebed door. Hij geselde zijn lichaam en je zag hem nooit in gezelschap van vrouwen. Hij ontving je eenvoudig, stond je doeltreffend te woord, gaf je ijverige goede raad en strenge berispingen.
Er is een kroniek die zegt, dat Sint Nicolaas ook deelnam aan het beroemde Concilie van Nicea, in 325.

Nicolaas-legende: Spiridon van Kos
‘Waarom 6 december op het eiland Kos niet als feest van Sint Nicolaas wordt gevierd, maar beschouwd wordt als een gewone doordeweekse dag’

Omstreeks het jaar 320 zal het geweest zijn, dat er op het eiland Kos – één van de Griekse eilandjes voor de Turkse kust (maar dat gebied behoorde toen allemaal tot het Romeinse Rijk) – dat er op dat eiland Kos dus een goede bisschop leefde, Spiridon. Hij as een heel hartelijke man, maar niet zo intelligent als je eigenlijk van een bisschop wel zou mogen verwachten. Hij sprak ook niet welsprekend Grieks zoals bijvoorbeeld andere collega-bisschoppen. Spiridon was dan ook maar een eenvoudige schaapherder geweest. Gestudeerd had hij niet. Hoe was hij dan bisschop geworden? Toen het bericht kwam, dat op het eiland Kos een bisschop gekozen moest worden, waren alle herders bij elkaar gaan zitten, en spraken af, dat de aardigste van hen er de aangewezen man voor zou zijn. Er werd gestemd, en Spiridon was gekozen. Een groot cadeau hadden die eenvoudige herders aan hun nieuwe bisschop niet kunnen geven. Op het vasteland had één van hen op de markt een gitzwarte ezel gekocht, een zeldzame kleur voor zo’n beest. Zijn secretaris reed op een gewone grijze ezel. Die secretaris had hij eigenlijk niet nodig. Hij kwam alleen goed van pas als gezelschap.

Tegenover Kos lag indertijd op het vasteland een vrij onbetekenend plaatsje, Myra. Maar de inwoners van die stad streefden ernaar om steeds groter en belangrijker te worden. Myra moest een stad worden op het voorste plan van de landelijke politiek. Een stad waar je rekening mee hield. Toen ze een bisschop hadden moeten kiezen, hadden ze dan ook een man genomen waarmee je voor de dag kon komen: Nicolaas. Híj had wel gestudeerd, en was bijzonder scherpzinnig. Zijn Grieks was elegant en verzorgd. Allemaal dingen dus die je ook van een béétje bisschop indertijd mocht verwachten. De hele bevolking had destijds bijgedragen aan het bijzonder zeldzame cadeau voor de bisschop: een volkomen wit paard. In tegenstelling tot Spiridon had de bisschop niet één, maar twee secretarissen; de bevolking zamelde goud in om voor beiden een kostbare volbloed Arabische hengst te kunnen aanschaffen. Dat toonde! Nicolaas keek natuurlijk met minachting neer op zijn collega van Kos, of – zoals hij hem noemde – ‘die boer van de overkant’.

Nu gebeurde het, dat er destijds in de kerk een geweldige strijd aan de gang was. Toen ook al. De geloofsgemeenschap was ernstig verdeeld over de vraag hoe je nu precies over de persoon van Jezus Christus moest spreken. Moest je van Hem zeggen, dat Hij God was? Hoe zat dat dan, want Hij was immers een mens geweest? Of moest je zeggen dat Hij mens was geweest? Maar wat bedoelden dan de heilige bijbelboeken die steeds maar zeiden dat Hij Gods Zoon was, ja God zelf? Om de waarheid te vinden riep de keizer van het Romeinse Rijk, keizer Constantijn, alle leiders van de kerk in vergadering bijeen. (De keizer sprak niet gewoon van een vergadering, hij zei deftig ‘concilie’; en hij keek daar zeer ernstig bij). Alle bisschoppen werden uitgenodigd om zich te verzamelen in het plaatsje Nicea. Iedere bisschop zou daar zijn zegje mogen doen over de persoon van Christus. Daar zou ook uiteindelijk bepaald worden wat de waarheid was.

Met name voor Spiridon beloofde het een lange reis te worden. Niet alleen moest hij eerst overvaren naar het vasteland, waarna de tocht naar Nicea per ezel minstens veertien dagreizen in beslag zou nemen. Daar kwam nog bij, dat hij nog nooit zo’n lange reis had ondernomen; sterker nog, hij was nog nooit van zijn eiland af geweest. Hij en zijn secretaris besloten dan ook ruim op tijd te vertrekken. Ze verheugden zich vooral op de reis. Ze zouden nieuwe werelden ontdekken; mensen tegenkomen, aan wie ze misschien over Jezus zouden kunnen vertellen, zodat ook zij in Hem zouden gaan geloven en dus gelukkiger zouden worden. Of misschien kenden ze Jezus al, dan zouden ze samen daarvan kunnen genieten.

Terwijl Spiridon in alle rust aan de lange reis begon, zat Nicolaas nog aan zijn bisschoppelijk bureau. Hij had nog veel dingen te doen. Er moesten stukken ondertekend worden, bouwplannen voor nieuwe kerkjes in de omgeving beoordeeld, gewijzigd en goedgekeurd worden; straks zouden weer de armen voor de deur staan voor hun dagelijkse portie voedsel; hij moest zijn gebeden nog doen, waarmee hij toch al achter was; ach er was teveel om op te noemen. Toen hij na een drukke dag met zijn beide secretarissen bij het vuur nog een kroes wijn dronk voor het slapen gaan, mijmerde hij wat voor zich uit over het concilie (net als de keizer sprak Nicolaas natuurlijk niet gewoon over bisschoppenvergadering). Hoe het daar toe zou gaan. Welke bisschoppen er allemaal waren, en hij liet alle beroemde mannen van die dagen aan zijn geestesoog voorbijgaan: die zou hij straks allemaal een hand geven, met ‘je’ en ‘jij’ kunnen aanspreken…

Maar plotseling betrok zijn gezicht: “En dan te bedenken, dat die boer van de overkant daar ook naar toe gaat. Stel je voor: een lompe schaapherder die nauwelijks lezen heeft geleerd. En die zou dan iets moeten zeggen over Jezus, waar zelfs de knapste geleerden, die hun leven lang in de boeken hebben getuurd, het nog niet over eens zijn. Wat een toestanden toch in onze kerk, dat zo’n domme man evenveel recht van spreken heeft als de knapste kop… Je zou toch een manier moeten bedenken om hem tegen te houden!” De secretarissen zwegen; ze waren het met hun bisschop eens. Er moest nog veel verbeterd worden in de Kerk van Jezus. Maar daar zou dat concilie mooi toe kunnen bijdragen.

Intussen vorderde Spiridon gestaag op zijn weg naar het verre Nicea. Hij maakte geen haast; had alle tijd om met de mensen te praten. Die vonden het een vriendelijke man. Ze waren zelfs een beetje jaloers op de schaapherders van Kos, dat zij zo’n aardige bisschop hadden. Déze vroeg naar je kinderen, hoe het land erbij lag, hoe de laatste oogst was geweest en hoe de verwachtingen waren voor de komende; hij schoof bij aan de eenvoudigste tafels, nam genoegen met het armzaligste onderdak als in de middag de zon op zijn heetst was en een enkele keer zelfs had de bisschop even moeten meehelpen om een losgebroken bok te vangen waarbij ook de secretaris van de bisschop zich niet onbetuigd had gelaten. Intussen trok zijn zwarte ezeltje veel bekijks; en telkens weer vertelde hij met dankbare stem dat het een cadeau was geweest van zijn mensen. Zo naderde Spiridon geleidelijk aan Nicea.

Nicolaas had tot op het laatste moment gewacht met zijn vertrek. Eigenlijk kon hij niet gemist worden, maar dat concilie was tenslotte toch belangrijker. Dus vooruit dan maar. In grote haast joeg hij achter zijn secretarissen aan, dat ze voort moesten maken met het pakken van zijn reistassen en het reisvaardig maken van de paarden. Met grote snelheid legden ze elke dag zo’n groot mogelijk traject af om nog juist op tijd in Nicea te zijn. Tijd om te stoppen was er niet. Hoogstens voor een plas. Ook onderweg kon Nicolaas zijn verontwaardiging niet de baas, dat ze nu straks die boer van de overkant zouden tegenkomen, en dat het godgeklaagd was, en dat er toch een middel moest zijn om die man duidelijk te maken dat zijn plaats niet was temidden van bestudeerde mensen, maar tussen de naar stront stinkende beesten.

Nu stond er op één dagreis afstand van Nicea een herberg. Spiridon was daar in alle rust lang voor de middag gearriveerd. Terwijl zijn secretaris de dieren verzorgde, had de bisschop een gesprekje aangeknoopt met de herbergier. Ze hadden er de tijd voor genomen. Spiridon had gevraagd of hij en zijn secretaris mee mochten eten temidden van het gezin. Dat was een hele eer. De bisschop had met de kinderen gespeeld en had vervolgens zijn middagdutje gedaan.

De avond was al gevallen. De herbergier moest zijn aandacht aan de gasten geven. Spiridon zat met zijn secretaris nog even bij het vuur, toen de deur breed openzwaaide en Nicolaas met wapperende tabberd binnen stormde: of er voor hem en zijn beide secretarissen een bed in orde kon worden gemaakt, of de paarden verzorgd konden worden in de stal, of er maar even een maaltijd kon worden opgediend; vlug vlug graag, want ik ben Nicolaas, bisschop van Myra. De waard knipte en boog en snelde van hot naar her om aan al die wensen te voldoen. Nicolaas nam met zijn secretarissen plaats aan een tafeltje en toen pas viel zijn blik op zijn collega en diens secretaris daar bij het vuur. Spiridon knikte vriendelijk. Maar de glimlach van Nicolaas kwam niet verder dan een bittere grimas, en tussen zijn tanden door siste hij naar zijn beide helpers: “Daar zit-ie, die boer – en weer boog hij hoffelijk in diens richting met opeengeklemde lippen; “nou zien jullie het zelf! En zo’n man zou de waarheid over de persoon van Jezus Christus aan het licht moeten brengen. Wat een schande. Wat een verspilde tijd om naar zulke lieden te moeten luisteren! En wat een kostbare geldverspilling. Zou er nu werkelijk geen mogelijkheid zijn zo iemand het zwijgen op te leggen?” Op dat moment mompelde zijn linker secretaris met onderdrukte stem: “Ik geloof, monseigneur, dat mij juist een heel probaat middel te binnen schiet om dat gedaan te krijgen” en daarbij streek hij lichtjes, maar veelbetekenend, met zijn duim over het lemmet van het mes waarmee hij juist een homp brood had afgesneden. “Hoe bedoel je?” vroeg Nicolaas. “Nou precies wat u zegt – zei de secretaris aldoor nog strijkend – een middel om hem het zwijgen op te leggen…” Nicolaas’ ogen volgden de bewegingen van de duim en keek geschrokken op; bijna luid zei hij: “Bejje helemaal idioot. Ik weet niet precies waaraan je denkt. Maar vergeet niet dat we in Gods Kerk zitten, en daar doe je dit soort dingen niet!” Een priemende wijsvinger wees naar duim en mes. Zoetsappig onderdanig en quasi verontwaardigd zei nu de secretaris: “Maar monseigneur, waar ziet u me nou voor aan? Oké, dan zullen we er verder niet meer over praten.” Zwijgend trokken ze een tijdje vlees van een geslacht half lam.

Intussen was Spiridon opgestaan; hij ging naar bed. Dan was hij goed uitgerust voor de dag van morgen. Vriendelijk zei hij iedereen goede nacht. Ook Nicolaas. Deze gromde wat vanuit zijn mond met vlees gevuld. Er viel weer een stilte aan het tafeltje. Toen vroeg Nicolaas aan de man aan zijn linkerhand: “Hoe zit dat dan: dat plan van jou om hem het zwijgen op te leggen?” “Nou kijk, monseigneur, en nu keek de man met onschuldige ogen naar de zoldering (die bestond uit balken en stro) ik denk dat het beter voor u is, wanneer u dat niet weet.” “Hoe bedoel je? Je hebt dus toch iets kwaads tegen hem in de zin…” “Integendeel, monseigneur, integendeel. Ik beloof u – weer die ogen naar boven – er zal hem geen haar worden gekrenkt…” “Maar wat denk je dan te doen, als je hem het spreken wilt beletten?” “Laat u dat nu maar ons over. U kunt alvast in alle rust gaan slapen.” “Maar je belooft dat er niets zal gebeuren wat God verboden heeft?” “Wat dacht u dan, monseigneur; we zijn bedienaren van Gods kerk dat heeft u zelf heel juist opgemerkt: dacht u dat wij dat vergeten waren? Hoe komt u erbij. Maar ja, als u ons niet vertrouwt…!” “Nou, als er inderdaad niets gebeurt wat verkeerd is… vooruit dan maar!”

Op dat moment kregen de beide secretarissen ineens enorme haast. “Dan wordt het tijd om naar bed te gaan, monseigneur. We willen morgen vroeg vertrekken, want met onze snelheid kunnen we dan voor de middaghitte in Nicea zijn. Welterusten dus. U wordt morgen door ons gewekt.” Nicolaas werd bijna de gelagkamer uitgedúwd door zijn helpers; hij had nauwelijks nog de gelegenheid ieder in de ruimte iets toe te grommen bij wijze van goede nacht. Ook de secretarissen gingen naar bed. En tenslotte verkeerde de hele herberg in diepe rust.

Zo komt het dat niemand zag hoe midden in de nacht een donkere schaduw door de gangen van de slaapafdeling van de herberg sloop, de trap afdaalde, zich naar buiten begaf en in het donker verdween. En nog minder heeft iemand gezien, hoe een schaduw na enige tijd de herberg binnensloop, de trap opging en verdween achter een deur van één der slaapvertrekken.

De volgende morgen werd Nicolaas heel vroeg gewekt. Alles was al in gereedheid gebracht toen hij beneden kwam. Even een hap en een snap bij wijze van ontbijt, en daar gingen de drie mannen, de middelste op zijn witte paard, de buitenste twee op hun volbloed Arabische hengsten. Toen Spiridon opstond, kon hij nog juist zien hoe Nicolaas met zijn twee secondanten over de glooiingen van de heuvels achter de horizon verdween.

Spiridon maakte geen haast. Hij sprak met zijn helper af dat deze de dieren in de stal in gereedheid zou brengen, terwijl hij zou afrekenen en het ontbijt zou bestellen. Aan zijn tafeltje gezeten wou hij juist met zijn mes het ei aftoppen, toen zijn secretaris tierend en scheldend binnenkwam: “Die schurk, die hufter, dat ellendig stuk kouwe kak van de overkant – werkelijk ziedend was hij – dat stuk ongeluk, dat…” “Hé hé hé, over wie gaat dit allemaal, over wie heb je het?” wees de bisschop hem terecht. “Over wie? Over wie? Over dat mooie heerschap dat zich – god betere het – bisschop noemt; dat te trots is om ons aan te kijken, dat… dat… dat een onwaardig stuk vreten is, een schoft, een vreselijke… “Ja zo is het wel genoeg!!” donderde Spiridon met zijn vuist op tafel. En weer met rustige stem: “Vertel me nu eindelijk eens wat er aan de hand is.” Maar de secretaris zeeg neer op een stoel en wist niet anders meer te fluisteren met verstikte stem: “Gaat u dan zélf kijken: in de stal.”

Dat deed Spiridon. Onmiddellijk veerde zijn helper op en draafde achter hem aan. En inderdaad, de aanblik van wat daar te zien viel was verschrikkelijk. Echt afschuwelijk. Daar lagen de beide rijdieren naast elkaar in het hooi, met afgesneden koppen en poten. Overal bloed. Dit was zelfs voor Spiridon te veel. Hij pinkte iets weg uit een ooghoek. Niet eens vanwege die rijdieren. Eigenlijk omdat een bisschop, die toch de eerste was om het voorbeeld van Jezus’ naastenliefde te volgen, zich zo verlaagde. Intussen rende zijn helper om hem heen: “Nou ziet u het zelf. Ziet u wel?” Hij bleef maar draven en rennen door die stal. Plotseling stond hij stil tegenover de bisschop en riep: “Een wonder. Nu moet u een wonder doen!” “Ja ja zuchtte Spiridon, alweer een wonder! Je denkt toch zeker niet dat ik een poosje aan de gang kan blijven?” “Maar dit vráágt toch om een wonder. Stel u voor: dan zou u straks niet over de lieve Jezus kunnen vertellen, zoals u dat bij ons altijd zo fijn doet…” Je zag Spiridon aarzelen, en tenslotte knikte hij: “Goed. Je hebt gelijk. Haal mijn tabberd, mijn mijter, mijn staf en mijn ring.” In een oogwenk was de secretaris terug. Vervolgens moest er nog het een en ander aan de beesten worden gefatsoeneerd; anders zouden ze straks ten leven gewekt worden met scheve poten en neergeknakte koppen, en dat was oneerbiedig tegenover God die alles mooi geschapen had. De bisschop had zich in vol ornaat gehesen: mijter op het hoofd, de staf in de linkerhand op de grond gesteund. Toen hief hij zijn rechterhand met twee vingers omhooggestoken ten teken van de zegen…; op dat moment aarzelde hij en zei: “Nee; ik vind dit eigenlijk zo verschrikkelijk, dat nu ook maar bekend moet worden wat hier is gebeurd. Weet je wat je doet: leg de kop van zwarte ezel tegen de grijze romp en andersom.”

Toen dat gebeurd was, maakte de bisschop een plechtig kruisteken over de beide ezels. Waarop deze moeizaam opstonden alsof ze zojuist uit hun slaap waren gewekt, keken even bevreemd naar elkaar, zagen toen hun meesters staan en begonnen verheugd te balken. Dit gebeuren ging natuurlijk als een lopend vuurtje door de herberg en vandaar door het nabijgelegen dorpje. Ieder juichte en riep dat Spiridon een wonder had gedaan, en dat hij dus Jezus Christus aan zijn kant had. Het verhaal bereikte zelfs eerder Nicea dan zijzelf. Overal stonden mensen langs de weg. Ze herkenden aan de ezels onmiddellijk dat zij het waren; ze applaudisseerden; de kinderen renden een stuk met de ezeltjes mee; de bisschop moest ze allemaal de handen opleggen. En de mensen herinnerden zich dat er van Jezus net zo werd verteld! Ook heel Nicea was op de been. Ieder wou de wonderbisschop graag zien en aanraken; zelfs de collega-bisschoppen uit verre streken die Spiridon helemaal niet kende. Hij werd met hoogachting behandeld, kreeg de mooiste hotelkamer en bovendien een ereplaatsje op het concilie, vlak in de buurt van de keizer. Nicolaas zat wat meer naar achter.

Toen tijdens één van de vergaderdagen Spiridon de bisschoppen had toegesproken, had Nicolaas knarsetandend geluisterd. Het enthousiaste applaus van de vergaderde bisschoppen ergerde hem. Na zíjn toespraak had het applaus eerder beleefd, nee beschaafd geklonken! Toen Spiridon ging zitten, kon Nicolaas zich niet langer bedwingen, boog zich ver voorover en gaf zijn collega van de overkant een klap op de rechter wang die luid door de zaal weerklonk…

Welnu, deze en nog vele andere gebeurtenissen herinneren de mensen van Kos zich nog tot op de dag van vandaag. Vandaar, dat ze 6 december niet vieren als het feest van Nicolaas, maar beschouwen als een gewone doordeweekse dag.
[opgetekend uit de mond van Pater Verhofstad s.j.]

Nicolaas-legende: Koren
Eens werd de hele provincie waar het bisdom van Sint Nicolaas onder hoorde, door een geweldige hongersnood geteisterd. Niemand had ook nog maar iets te eten.
Nu verneemt onze man Gods dat er schepen in de haven liggen, boordevol graan. Hij gaat er meteen heen en vraagt de sjouwersknechten de uitgehongerde bevolking te hulp te komen. Al lieten ze maar per schip zo’n honderd baal graan op de kade staan.
Maar zij zeiden: “Vader, dat durven we niet. Want toen we uitvoeren uit Alexandrië, is onze lading precies afgewogen en die moeten we in dezelfde hoeveelheid afleveren bij de graanschuren van de staat.”
De heilige man antwoordde hun: “Doe toch maar wat ik je zeg. En ik beloof je in naam van God zelf dat de douanebeambten van de staat geen greintje minder zullen aantreffen in de lading.” Toen deden die mannen het dus maar.
Op de plaats van bestemming aangekomen, leverden zij alle graan af in de graanschuren en het was inderdaad precies de hoeveelheid die in Alexandrië was afgewogen. Ze realiseerden zich dat dit een wonder was, begonnen het overal rond te bazuinen en verheerlijkten God in de persoon van zijn dienaar.
Het graan dat ze bij hem hadden achtergelaten, was intussen door Nicolaas uitgedeeld. Ieder kreeg naar behoefte; het wonder was van dien aard dat de hoeveelheid voldoende was om de hele landstreek voor twee jaar te voeden. En dat niet alleen. Het leverde zelf ook weer rijke oogsten op.
[183]

Nicolaas redt zeelui
Op een dag bevonden zich zeelui op zee in groot gevaar. Onder tranen baden ze zo: “Nicolaas, dienaar van God, als het waar is wat ze van u zeggen, laat ons daar dan nu eens iets van zien.”
Onmiddellijk verscheen hun iemand die eruit zag als een heilige. Die zei tot hen: “Jullie hebben me geroepen. Nou, hier ben ik.”
Hij ging meteen aan de slag en hielp met de zeilen, de tuigage en met alles wat er op zo’n schip komt kijken. Op slag was het noodweer voorbij.
Aldus gered begaven die zeelui zich naar de kerk, waar Nicolaas thuishoorde. Ze herkenden hem onmiddellijk, hoewel ze hem nog nooit hadden gezien.
Maar hij zei hun, dat ze God maar moesten bedanken. Het was immers geen verdienste van hem, maar van Gods barmhartigheid en niet te vergeten van hun eigen geloof.
[183]

Nicolaas verdrijft duivels en boze geesten
In vroeger tijden had men in deze streken afgoden aanbeden. Zelfs tot in de dagen van Nicolaas deden de boeren nog aan heidense gewoonten en rituelen, die ze van oudsher hadden bewaard. Die deden ze onder een boom, toegewijd aan Diana. Om een eind te maken aan deze afgoderij liet de heilige die boom omhakken. De duivel was woedend. Hij mengde een olie van tegennatuurlijk karakter. Ze bezat namelijk de eigenschap, dat ze in water of op kale steen vanzelf vlam vatte. Toen nam hij de gedaante aan van een kloosterzuster, ging scheep en voer langszij een schip met bedevaartgangers, die naar Sint Nicolaas koersten. Hij zei hun: “Ik vind het jammer, dat ik niet met jullie mee kan naar die heilige man. Maar zouden jullie dan wel zo vriendelijk willen zijn – als aandenken van mij – de muren van zijn kerk en zijn huis met deze olie te overgieten.”
Dat schip was nog niet weg, of de bedevaartgangers zeiden tegen elkaar: “Zie ginds komt een andere boot alweer op ons aan.”
Daar zat Sint Nicolaas op. Die zei hun: “Wat heeft die vrouw jullie gezegd? Wat heeft die vrouw jullie gegeven?”
De bedevaartgangers vertelden wat er gebeurd was. Hij zei: “Die vrouw is niet een kloosterzuster, maar de schaamteloze Diana zelf. Wil je een bewijs? Dan moet je die olie van haar maar eens in zee gooien.”
Ze gooiden ze in zee, en op het moment dat de olie in aanraking kwam met de golven, vatte ze onmiddellijk vlam. Dat was een duidelijk bewijs van het tegennatuurlijk karakter ervan.
Ook die tweede boot verdween weer.
Maar toen die bedevaartgangers de kerk van Nicolaas binnenkwamen, herkenden ze in hem de man van de boot.

Nicolaas redt drie ter dood veroordeelden en drie gevangenen.
Een of ander land was in opstand gekomen tegen het Romeinse Rijk. De keizer zond er drie hoogwaardigheidsbekleders naartoe: Nepotianus, Ursus en Apilion. Deze werden onderweg erg opgehouden door tegenwind. Ze zochten de luwte in een van de havens die binnen het bisdom van Nicolaas gelegen was. De heilige nodigde ze uit om met hem ergens te gaan eten. Hij wilde zijn volk namelijk sparen voor die houwdegens.
Tijdens de afwezigheid van de heilige had de consul zich laten omkopen voor een flinke som geld. En nu had hij drie onschuldige soldaten ter dood laten veroordeeld.
Meteen toen de heilige hiervan hoorde, vroeg hij zijn gasten of zij hem wilden vergezellen. Zo kwam hij met hen aangesneld op de plaats waar de terechtstelling stond te gebeuren. Hij trof er drie soldaten al geblinddoekt en op hun knieën aan. Reeds hield de beul het zwaard geheven boven hun hoofd. Nicolaas stortte zich in allerijl en onvervaard op de beul, wrong hem het zwaard uit de handen, maakte de drie onschuldigen los en nam ze gezond en wel met zich mee. Toen stoof hij naar het pretorium van de consul en brak er de deur open, want die zat dicht. De consul verscheen en begon hem overijverig te verwelkomen. Maar de heilige duwde hem van zich af met de woorden: “Weet wat jij bent? Je bent…, je bent een vijand van God. Een verkrachter van de wet: dat ben je! Hoe durf je ons nog onder ogen te komen, terwijl je zo’n afschuwelijke misdaad op je geweten hebt.” Hij bedolf hem onder verwijten. Maar de hoogwaardigheidsbekleders deden een goed woordje voor hem. En toen hij eenmaal berouw toonde, ging hij ermee akkoord hem vergiffenis te schenken. Daarna moesten de keizerlijke gezanten weer verder. Ze ontvingen zijn zegen, vervolgden hun weg en onderwierpen de opstandelingen zonder bloedvergieten. Zo kwamen ze tenslotte weer terug bij de keizer, die hun een fantastische ontvangst bereidde.

Een paar mannen aan het hof waren jaloers op de al gunsten die de drie generaals ten deel vielen. Zij kochten de keizerlijke prefect om. Toen deze het geld eenmaal had, beschuldigde hij de drie hoogwaardigheidsbekleders voor het oog van zijn heer van majesteitsschennis. De keizer ontstak natuurlijk in woede. Hij liet ze in de gevangenis werpen en gaf bevel ze nog diezelfde nacht zonder enige vorm van proces nog diezelfde nacht ter dood te brengen. Hun bewaker bracht hen op de hoogte van het lot dat hun wachtte. Toen scheurden die drie hoogwaardigheidsbekleders hun mantel, en klaagden bitter.
Maar bij een van hen, Nepotianus, kwam plotseling de gelukzalige Nicolaas in gedachten, en hoe deze destijds drie onschuldige mannen op het nippertje van de dood had gered. Daar waren ze nota bene zelf bij geweest. Hij spoorde zijn collega’s aan de hulp van Sint Nicolaas in te roepen.
En ja hoor, op hun gebed verscheen de heilige Nicolaas diezelfde nacht nog aan keizer Constantijn zelf. Hij zei: “Waarom heb jij die hoogwaardigheidsbekleders ten onrechte in hechtenis genomen? Onmiddellijk je bed uit. En laat ze vrij! En gauw! Anders zal ik God bidden, dat Hij voor een oorlog tegen je zorgt, die je dan verliest; dan zul je aan de wilde beesten te vreten worden gegeven.”
En de keizer antwoordde: “Ik zou wel eens willen weten wie jij bent. Dat komt me zomaar midden in de nacht mijn paleis binnen en durft zo’n toon tegen me aan te slaan.”
Waarop Nicolaas reageerde: “Ik ben Nicolaas, bisschop van de stad Myra.”
En op dezelfde manier verscheen de heilige ook aan de prefect. Hem joeg hij de schrik op het lijf door te zeggen: “Bij jíj gek, dat je je toestemming hebt gegeven om drie onschuldige mannen ter dood te brengen? Aan het werk. Je zorgt maar dat ze loskomen. Anders zal je lijk – nog warm en wel – worden opgevreten en je huis met de grond gelijk worden gemaakt!”
En de prefect: “Wie denk jij wel dat je bent, dat je me zulke dreigementen naar het hoofd durft te slingeren?”
“Als je het weten wilt: ik ben Nicolaas, bisschop van de stad Myra.”
De keizer en de prefect waren nu klaarwakker. Ze gaven elk gehoor aan hun droom en renden wat ze rennen konden om de drie gevangen de tijding te brengen.
“Zijn jullie tovenaars” vroeg de keizer, “dat je ons met dergelijke visioenen de stuipen op het lijf jaagt?”
Ze antwoordden dat ze geen tovenaars waren. En ook onschuldig aan het misdrijf waarvan ze werden beschuldigd.
Toen zei de keizer: “Kennen jullie iemand die Nicolaas heet?”
Bij het horen van die naam hieven ze hun handen ten hemel. Ze baden God, dat ze door de verdiensten van Sint Nicolaas gered mochten worden uit het gevaar waar ze nu midden in zaten. De keizer werd vervolgens op de hoogte gesteld van leven en wonderen van de heilige. Daarop sprak hij: Dan mag je God wel gaan bedanken: Hij heeft jullie bij deze gered op het gebed van die Nicolaas. Ga Nicolaas mijn gedrag uitleggen en neem van mij een aantal geschenken voor hem mee. En vraag hem, dat hij mij niet meer bedriegt, maar dat hij God bidt voor mij en mijn Rijk.”
Een paar dagen later gingen de hoogwaardigheidsbekleders op weg naar de dienaar van God. Ze vertelden hem tot in de kleinste bijzonderheden wat er allemaal gebeurd was. Hij hief zijn handen ten hemel, loofde God en zond de drie hoogwaardigheidsbekleders naar huis terug. Maar niet, nadat hij ze eerst nog even de waarheden van het geloof terdege had bijgebracht.

Bron heiligennet